13jun

Comments closed
13JUN
by Nathalie Verpaalen Comments closed

13 juni 2016:

 

Geen verlengde proeftijd voor bezit kinderporno:

 

Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft vandaag arrest gewezen in het hoger beroep van cliënt, tegen een veroordeling door de Rechtbank Oost-Brabant, locatie ‘s-Hertogenbosch. De Rechtbank veroordeelde cliënt op 12 december 2016 voor het voorhanden hebben en verspreiden van kinderporno, tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van zeven jaren.

 

Het hoger beroep van cliënt richtte zich tegen de opgelegde gevangenisstraf én de duur van de proeftijd zoals die gekoppeld werd aan het voorwaardelijke strafdeel. Het Openbaar Ministerie en de verdediging verschilden namelijk van mening over de vraag of een verlengde proeftijd op grond van artikel 14b lid 2 van het Wetboek van Strafrecht in deze zaak mogelijk zou zijn.

 

Op grond van artikel 14b lid 2 van het Wetboek van Strafrecht bedraagt een proeftijd in principe maximaal drie jaren. De proeftijd kan echter maximaal tien jaren bedragen, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is, of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Dit gevaar voor de onaantastbaarheid van het lichaam is bij ontucht, misbruik en/of het vervaardigen van kinderporno evident, maar hoe zit dat dan bij het voorhanden hebben en verspreiden van kinderporno?

 

De Hoge Raad der Nederlanden heeft zich hier over uitgelaten en stelt dat het enkele voorhanden hebben en verspreiden van kinderporno zoals bedoeld in artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht, niet automatisch gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, en daarmee grond vormt voor een proeftijd van maximaal tien jaren. Dat komt misschien onbegrijpelijk over, omdat door de vraag naar kinderporno ook de kinderporno-industrie mogelijk wordt gemaakt, maar zuiver gezien vormt het voorhanden hebben en verspreiden van die kinderporno niet automatisch voornoemd gevaar.

 

De verdediging heeft dit standpunt op zitting bepleit, samen met het standpunt dat – zoals de reclassering adviseerde – een voorwaardelijke gevangenisstraf dient te volstaan. De Advocaat-generaal deelde dit laatste standpunt, maar desalniettemin oordeelde het Gerechtshof anders.

 

Het Gerechtshof veroordeelde cliënt tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van drie jaren. De verdediging beraadt zich over een beroep in cassatie.

 

Klik hier voor het vonnis van de Rechtbank Oost-Brabant.

 

Klik hier voor het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden.

 

 

 

Comments are closed.