31mrt

Comments closed
31MRT
by Nathalie Verpaalen Comments closed

31 maart 2014:

 

Vonnis voorzieningenrechter Rechtbank Oost-Brabant, locatie ‘s-Hertogenbosch:

 

Beëindiging woonbegeleidingsovereenkomst directe grond beëindiging huurovereenkomst?

 

Op 31 maart 2014 wees de voorzieningenrechter in de Rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch vonnis in een kort gedingprocedure ten aanzien van een zeer actueel onderwerp: de verhouding tussen een zorgovereenkomst (woonbegeleidingsovereenkomst) en een daaraan gekoppelde huurovereenkomst (met een woningbouwcorporatie).

Tussen Woonbedrijf en cliënte is een huurovereenkomst gesloten. Naast deze huurovereenkomst, sloot cliënte eveneens een woonbegeleidingsovereenkomst met een derde partij; Stichting Neos. In de huurovereenkomst tussen cliënte en Woonbedrijf stond duidelijk bedongen dat de huurovereenkomst onlosmakelijk is verbonden met de woonbegeleidingsovereenkomst. Voorts stond opgenomen dat cliënte de woning alleen kon huren zolang de woonbegeleidingsovereenkomst in stand bleef. De woonbegeleiding zou derhalve belangrijker zijn dan het huren en cliënte maakte geen aanspraak op huurbescherming zonder die woonbegeleiding.

 

Woonbedrijf zou vervolgens geconfronteerd worden met klachten van omwonenden over vermeende overlast door cliënte. Als gevolg daarvan stelde Stichting Neos de woonbegeleidingsovereenkomst te hebben beëindigd, waarna Woonbedrijf de huurovereenkomst poogde op te zeggen middels dagvaarding in kort geding. Daarnaast sommeerde Woonbedrijf cliënte om de woning te verlaten. In kort geding heeft cliënte betwist dat sprake was van een geldige opzegging van de woonbegeleidingsovereenkomst.

 

Mevrouw mr. Verpaalen betwiste ter terechtzitting uitdrukkelijk dat de woonbegeleidingsovereenkomst definitief en geldig was komen te beëindigen, als gevolg waarvan evenmin sprake kon zijn van een geldig beëindigen van de huurovereenkomst tussen Woonbedrijf en cliënte.

 

De voorzieningenrechter wees op 31 maart 2014 vonnis, en oordeelde dat de vordering tot ontruiming in het kader van het kort geding niet kon worden toegewezen omdat het einde van de woonbegeleidingsovereenkomst niet als voldoende aannemelijk vaststaand feit kon worden aangenomen.

 

Woonbedrijf vorderde daarnaast ontruiming op basis van voornoemde overlastklachten, doch deze kon in het kader van de kort gedingprocedure evenmin als voldoende aannemelijk worden aangenomen.

 

De voorzieningenrechter wees aldus alle vorderingen van Woonbedrijf af en veroordeelde Woonbedrijf in de proceskosten.

Comments are closed.