26feb

Comments closed
26FEB
by Nathalie Verpaalen Comments closed

 26 februari 2016:

 

Voorwaardelijke invrijheidstelling niet herroepen, ondanks ‘wangedrag’ gedurende detentie:

 

De voorwaardelijke invrijheidstelling is voor sommigen nog een vreemd instituut. Daar, waar werd gedacht dat de veroordeelde per definitie na tweederde van zijn straf op vrije voeten komt, is vandaag de dag niets minder waar.

 

Op 1 april 2012 is de Wet voorwaardelijke veroordeling en voorwaardelijke invrijheidstelling in werking getreden. Deze wet is een voortvloeisel van (onder andere) het kabinetsbesluit inzake het terugdringen van recidive en het ‘Veiligheid begint bij voorkomen’-project.

 

Met de invoering van de voorwaardelijke invrijheidstelling ex artikel 15a van het Wetboek van Strafrecht (en verder), is de weg open komen te liggen voor een nieuwe constructie. Met de voorwaardelijke invrijheidstelling is het namelijk, zoals de toenmalige Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, de heer F. Teeven, benadrukte, de bedoeling dat de gedetineerde de invrijheidstelling verdient.

 

Bij het verdienen van de voorwaardelijke invrijheidstelling staat het gedrag van de gedetineerde gedurende detentie voorop (los van de mogelijkheid dat de gedetineerde nog een tbs-maatregel uit dient te zitten na detentie). Hierbij bestaat dus bijzondere aandacht voor disciplinaire – en ordemaatregelen, urinecontroles, begeleidbaarheid door de casemanagers binnen de Dienst Justitiële Inrichtingen en ander gedrag.

 

Mocht de gedetineerde dan – in optiek van het Openbaar Ministerie – nog niet gereed zijn voor de voorwaardelijke invrijheidstelling, dan kent artikel 15d van het Wetboek van Strafrecht de mogelijkheid om de voorwaardelijke invrijheidstelling uit te stellen of achterwege te laten. Dit betekent dan, in geval van herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, dat bij de datum van tweederde van de straf een aantal dagen worden bijgeteld. In geval van achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling, dient de gedetineerde de gehele straf uit te zitten. Van tweederde is dan dus geen sprake.

 

In de zaak van cliënt gold het volgende. Cliënt was veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren. Na bijna 10 jaar berichtte het Openbaar Ministerie ons, dat een vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling zou worden ingediend, wegens wangedrag gedurende detentie (artikel 15d lid 1 onder b sub 2 van het Wetboek van Strafrecht). Daarbij werd feitelijk wel enkel aandacht geschonken aan oud gedrag van cliënt, en was weinig aandacht voor de huidige stand van zaken.

 

In optiek van ons kantoor is het in dit soort zaken onze zaak, om een direct tegenlicht te bieden aan door het Openbaar Ministerie gestelde ‘wangedrag’. Relevante vragen dienen gesteld te worden; wat lag ten grondslag aan gedrag? Zijn maatregelen met succes bestreden binnen het detentierecht? In hoeverre is sprake geweest van verwijtbaar handelen? Hoe actueel is het gedrag? Een actieve rol is dus absoluut noodzakelijk.

 

In deze zaak heeft de proactieve houding van ons kantoor in ieder geval zijn vruchten afgeworpen. Door aan te tonen dat huisvesting geregeld kan worden in samenwerking met Stichting Exodus Nederland, dat het actuele gedrag van cliënt goed is, dat zijn verslavingsproblematiek tot het verleden behoort en dat het  dus eigenlijk heel goed gaat met cliënt, is de vordering herroeping afgewezen. De Rechtbank Oost-Brabant, locatie ‘s-Hertogenbosch stelde namelijk dat ook cliënt een kans verdient om te laten zien dat hij gegroeid is en dat hij klaar is voor zijn terugkeer in de maatschappij.

 

Comments are closed.