02dec

Comments closed
02DEC
by Nathalie Verpaalen Comments closed

2 december 2014:

 

Arrest Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch:

Beëindiging woonbegeleidingsovereenkomst directe grond beëindiging huurovereenkomst?

 

Op 2 december 2014 wees het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch arrest in een kort gedingprocedure ten aanzien van een zeer actueel onderwerp: de verhouding tussen een zorgovereenkomst (woonbegeleidingsovereenkomst) en een daaraan gekoppelde huurovereenkomst (met een woningbouwcorporatie).

Tussen Woonbedrijf en cliënte is een huurovereenkomst gesloten. Naast deze huurovereenkomst, sloot cliënte eveneens een woonbegeleidingsovereenkomst met een derde partij; Stichting Neos. In de huurovereenkomst tussen cliënte en Woonbedrijf stond duidelijk bedongen dat de huurovereenkomst onlosmakelijk is verbonden met de woonbegeleidingsovereenkomst. Voorts stond opgenomen dat cliënte de woning alleen kon huren zolang de woonbegeleidingsovereenkomst in stand bleef. De woonbegeleiding zou derhalve belangrijker zijn dan het huren en cliënte maakte geen aanspraak op huurbescherming zonder die woonbegeleiding.

 

Woonbedrijf zou vervolgens geconfronteerd worden met klachten van omwonenden over vermeende overlast door cliënte. Als gevolg daarvan stelde Stichting Neos de woonbegeleidingsovereenkomst te hebben beëindigd, waarna Woonbedrijf de huurovereenkomst poogde op te zeggen middels dagvaarding in kort geding. Daarnaast sommeerde Woonbedrijf cliënte om de woning te verlaten. In kort geding heeft cliënte betwist dat sprake was van een geldige opzegging van de woonbegeleidingsovereenkomst.

 

De voorzieningenrechter wees op 31 maart 2014 vonnis, en oordeelde dat de vordering tot ontruiming in het kader van het kort geding niet kon worden toegewezen omdat in onvoldoende mate vast stond dat de woonbegeleidingsovereenkomst geldig en definitief ten einde was gekomen (hetgeen een voorwaarde was voor de beëindiging van de huurovereenkomst).

 

Na vonnis in kort geding ging Woonbedrijf in hoger beroep bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, waarbij zij vorderde dat cliënte en haar minderjarige dochter alsnog de woning ontruimden. Deze vordering onderbouwde Woonbedrijf (nu) door te stellen dat de woonbegeleidingsovereenkomst was beëindigd en dat de huurovereenkomst hetzelfde lot zou moeten ondergaan. Woonbedrijf stelt dat de woonbegeleidingsovereenkomst en de huurovereenkomst zodanig nauw met elkaar verbonden waren dat het einde van de ene overeenkomst tot gevolg moest, en niet anders kon hebben dan dat ook de andere overeenkomst niet in stand kon blijven.

 

Het Gerechtshof deelde de mening van Woonbedrijf niet. Het Gerechtshof oordeelde in haar arrest, dat de voorzieningenrechter terecht van mening was dat de huurovereenkomst nog niet geldig en definitief was beëindigd en volgde dit standpunt. Het vonnis van de voorzieningenrechter de dato 31 maart 2014 wordt dus bekrachtigd.

 

Hoe in de bodemprocedure wordt geoordeeld door de kantonrechter is nog onduidelijk.

 

Klik hier voor de uitspraak.

Comments are closed.