15jul

Comments closed
15JUL
by Nathalie Verpaalen Comments closed

15 juli 2015: 

 

Als een aangifte niet kloppend is, is deze dan ook onmiddellijk vals? 

 

Dat politie en justitie hard inzetten op de vervolging van verdachten van valse aangiftes, en zeker op valse aangiftes van verkrachting, blijkt uit de jurisprudentie. Politie en justitie spenderen uren aan het afnemen van aangiftes, het verder verrichten van onderzoek naar de waarheid van die aangiftes en de eventuele vervolging van de perso(o)n(en) die in die aangiftes genoemd worden, en wanneer dan blijkt dat de aangifte vals is, dient vervolging ingezet te worden tegen de initiële aangeefster. Kosten noch moeiten worden in deze gevallen, tot twee maal toe, gespaard. En daar dient de ‘valse aangever’ in optiek van het Openbaar Ministerie, zich vervolgens voor de verantwoorden.

 

De vraag die in zaken betreffende valse aangiften centraal staat, is:

 

‘Als een aangifte niet kloppend is, is deze dan ook onmiddellijk vals?’

 

Over deze vraag heeft het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch zich op 15 juli jl. gebogen, in de zaak contra cliënte. Cliënte werd verdacht van het doen van valse aangifte van verkrachting. Zij zou aangifte hebben gedaan van verkrachting waarbij zij wist dat wat zij verklaarde onjuist was, en waarbij haar opzet ook was gericht op het doen van die valse aangifte.

 

De verdenking van het opzettelijk doen van een valse aangifte van verkrachting, was in deze zaak gebaseerd op het gegeven dat de aangifte op diverse punten aantoonbaar onjuist was. Daarmee stond in optiek van het Openbaar Ministerie ook onmiddellijk vast, dat de aangifte opzettelijk vals zou zijn gedaan.

 

In optiek van de verdediging staat het één (dat bepaalde delen van een verklaring aantoonbaar onjuist zijn) niet automatisch gelijk aan het ander (namelijk dat de verklaring daarom, opzettelijk vals is gedaan).

 

Een verkrachting is een traumatische gebeurtenis. Diverse slachtoffers praten niet, of zelfs nooit, over hetgeen hen is overkomen. Om vervolgens aangifte te kunnen doen van een verkrachting, moet een slachtoffer c.q. aangeefster, over een grote drempel stappen. Men moet een wildvreemde rechercheur immers gaan vertellen wat er nu exact is gebeurd. Een aangifte van een verkrachting is daarbij, anders dan bijvoorbeeld een aangifte van diefstal, ook nog een aangelegenheid waarbij taboes doorbroken worden, en gêne geen rol kan spelen. De specifieke seksuele handelingen, en daarmee alle minutieuze onderdelen van de verkrachting, moeten tot in detail besproken worden.

 

Feitelijk is het protocol dat, alvorens een slachtoffer aangifte doet van verkrachting, een bedenktijd wordt gegeven voor de duur van veertien dagen. Daarmee kan worden nagedacht over het doen van aangifte, maar wordt indirect ook de ‘valse’ aangifte gefilterd. Vrouwen (maar zeker ook mannen) die vanuit een opwelling jegens hun (ex-)partner aangifte willen doen, bedenken zich in deze periode, niet zelden.

 

Door de verdediging werd in deze bepleit dat voornoemde veertien-dagen-termijn niet in acht was genomen en de indruk ontstond dat zij van meet af aan niet serieus werd genomen door de verhorend rechercheur – met wie zij in het verleden reeds eerder te maken had gehad -. Daarnaast stond cliënte gedurende de periode van het doen van de aangifte – gedurende twee dagen – onder enorme stress. Later is dan ook vast komen te staan dat cliënte lijdt aan PTSS, in welk licht haar verklaringen ook moe(s)ten worden bezien. Tot slot bepleitte de verdediging dat het voorgaande in samenhang bezien, samen met de stelling dat het niet kloppen van onderdelen van een aangifte, niet automatisch opzet op een valse aangifte inhoudt, dat vrijspraak diende te volgen.

 

Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch volgde de verdediging in dit verweer, en sprak cliënte integraal vrij.

 

Er volgt geen cassatie.

 

 

 

 

 

Comments are closed.